Samenwerking

Regisseur Zen Roorda
Schrijver Michiel Westbeek

Over de smeders

Zen Roorda

Zen is in 2011 afgestudeerd aan de opleiding Docent Theater aan de NHL in Leeuwarden. Vanaf 2010 t/m 2017 was hij regieassistent van een tiental producties van het Noord Nederlands Toneel. Hier assisteerde hij Guy Weizman, Gerardjan Reijnders maar vooral Ola Mafaalani, als afsluiter werkte hij mee aan Borgen. Sinds 2013 is Zen onderdeel van het collectief Illustere Figuren, waar hij schrijft, speelt maar bovenal regisseert; zoals de voorstelling De NS Zet Bussen In, over treinsuicide en Renault 4 - een auto-biografie, over de vergankelijkheid vertelt via een oldtimer uit 1968. Bij het Drents jeugdtheater Garage TDI krijgt hij de ruimte om te experimenteren, zo heeft hij net een project afgerond met Syrische en Nederlandse jongeren rondom het gevoel vrijheid.. Afgelopen jaar maakte hij Woyzeck bij het GroningenStudentenToneel en gaf les op de NHL.

Michiel Westbeek

Michiel Westbeek heeft een achtergrond in Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit Utrecht, maar stapte over wegens artistieke roeping en ging autonome kunst studeren aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Door een samenloop van omstandigheden belandde hij op de master Painting aan het Frank Mohr Institute in Groningen, waar hij zich onder de vlag 'experimentele schilderkunst' opnieuw toelegde op het schrijven en het theater. In 2013 was hij één van de co-auteurs van het libretto voor de opera Het Oog Van Leonardo van Egon Kracht en de Troupe, en in 2016 schreef hij voor hen naar eigen idee het libretto Hond/Brecht, dat in 2019 als nieuwe reizende opera te zien zal zijn. Verder exposeert hij regelmatig beeldende kunst, meest recent bij Nieuwe Vide, en publiceerde in Journal of Humanities.

Zij worden gecoacht door

Willibrord Keesen Zie alle coaches

Waar ze aan smeden

LEGIO (werktitel) Michiel en Zen Naar het stuk

Thema

Je ligt in bed, je valt bijna in slaap, nee, het is geen vallen, het is tuimelen. Beelden glijden over je netvlies, je bent nog bij bewustzijn, maar het hoe, wat en waar is je onduidelijk. Een duister deurtje in je ziel staat op een kier. Duistere wezens vullen je geestesoog. Er is onrust. Je zou vredig in slaap moeten zakken. Je zou de baas moeten zijn. Je zou aan de rechterhand van god moeten kunnen zitten, maar je dineert met je demonen. Schrijver Maarten staat stijf van de demonen. Hij is bang voor vlinders, bang om gek te worden, bang om zijn veel succesvollere vriendin Rosa te verliezen, bang om geen geniale kunstenaar te zijn. Zo kan het niet langer, weet hij, en Maarten begint aan een nieuw (geniaal) project: een theatertekst over de schilder Francisco Goya die in de 19e eeuw zijn eigen demonen overwon. Dan ontmoet Maarten op straat Legio die zich met tatoeages en implantaten heeft laten verbouwen tot demon... Terug in bed. Je bent bijna onder zeil, maar nog net niet. Een wijze raad: dineer met je demonen. Druk ze niet weg. Ze proberen je iets te leren. Maar vertrouw ze nooit helemaal. Tekst: Michiel Westbeek Regie: Zen Roorda

Status

Negen scènes en schrijvende.

Bekijk hun updates

16 april 2018

Pogingen

Lieve lezer, Michiel hier. Ik had je eerder willen schrijven. Het is niet dat je vergeten ben. Nee. Allesbehalve. Ik ben je niet vergeten omdat jij, als je hier op deze site rondwaart en onze berichten opzoekt, wie weet zelfs reikhalzend uitkijkt naar de volgende update, dat jij dan ook zeer waarschijnlijk ons publiek zal zijn. En daarom heb ik juist deze laatste weken nagedacht over jou. Wat is het precies dat Zen en ik jou proberen te geven door je dit stuk te laten zien? Wat willen we tegen je zeggen, aan je voorleggen, aan je vragen? Wat is nu eigenlijk de kern van wat we doen, en waarom we ons gerechtigd voelen jouw vrije avond en een beetje geld aan te nemen om je vervolgens onze fantasieën voor te schotelen?

Een aantal weken terug waren we in Leiden, bij onze fantastische nieuwe coach Joeri Vos. We hebben samen het stuk hardop gelezen en kwamen gelijk al een aantal problematische zinnen tegen. Met Joeri's feedback en zijn zegen ben ik verder gaan schrijven. De meerderheid van de scènes stond al een heel eind, dus zo moeilijk kon het toch niet zijn? Als je de grote structuur al overeind hebt staan, hoe moeilijk kan het dan zijn om van a naar b te schrijven? Of van q naar r? Nou, teringmoeilijk, bleek het al snel. Elk klein dingetje dat je toevoegt of weghaalt, zorgt ervoor dat je een hele straal andere kleine dingetjes moet wijzigen. Je bent niet zozeer meer bezig met één scPène, maar met de lijnen die al in het verhaal lopen, wat er voor en na de scène gebeurt, wat er tussen de scènes gebeurd is dat het publiek niet eens krijgt te zien. En dan is er nog een veel groter probleem: als je m en n verbindt ben je nog niet klaar. De puzzel ligt voor je. Er missen een paar plekjes. Dan kan je wel een blokje uitzagen wat precies in het gat past, maar daarmee is het blokje zelf nog niet interessant. Wat schilder je daarop? Wat laat je zien? Welke spanning breng je in het geheel? Moet er niet wat te lachen vallen? Ironiseer je daarmee niet wat je al geschreven hebt? Steevast kwam ik op de Grote Vragen: waar gaat dit stuk eigenlijk over? Wat is de kern? Wat willen we aan jou geven, lieve lezer, best publiek?

Eindeloze discussies met Zen, veel naar het plafond staren en het lezen van verschillende boeken hebben langzaamaan deze vragen van tentatieve antwoorden voorzien. En nu kom ik op een heikel punt, lezer: wat vertel ik je wel, en wat juist niet? Ik ga je zeker niet alles vertellen. Ik wil je bezoek aan onze voorstelling leuker maken, niet didactischer en saaier. Ik ga mijn best doen. Een soort making-of van ideeën. Een paar tipjes van de sluier.

Er zitten veel ideeën, onderwerpen en gevoelens – vooral angsten trouwens – van mezelf in dit stuk, hoewel het op geen enkele manier autobiografisch te noemen is. Ik heb het gevoel dat ik evenveel van mezelf in alledrie de personages heb gestopt. Ik hoop dat jij daarmee ook evenveel van jezelf in alledrie zal herkennen.

In de voorstelling stoeien we met het gemeenschappelijk schemergebied dat bewoond word door kunst, religie, filosofie en waanzin. Maar we moeten oppassen, zeker met religie. Niet omdat we bang zijn iemand voor het hoofd te stoten (prima als dat gebeurt, al is het op zich ook weer niet uitgesproken doel van ons), maar in deze turbulente tijden willen we geen antireligieus stuk maken, of een stuk dat religie gelijkschakelt met waanzin. Dat zou weleens koren op de molen kunnen zijn van mensen die we helemaal geen koren gunnen en hier dus maar naamloos zullen laten. Legio is echt geen heel politieke voorstelling aan het worden, eerder een psychologische, maar je kunt er niet onderuit dat het in een bepaalde wereld met bepaalde waarden gezien wordt, en dat je daar kritisch, maar vooral ook intelligent en waardig mee om wil gaan. Maniakale komedie of niet.

Hetzelfde geldt voor mannen- en vrouwenrollen, aangezien een heel groot deel van het stuk draait om de relatie Maarten-Rosa. Rosa is een hartstikke tof mens: slim, succesvol, gevoelig, verantwoordelijk, betrouwbaar, consciëntieus, maar precies om die redenen heeft ze minder tekst dan onze boys Maarten en Legio. Dat zijn namelijk twee bij vlagen tamelijk gestoorde individuen, en daar zit drama in. Maarten heeft zijn onsympathieke kantjes (hij doet alsof hij zijn vriendin ondersteunt in haar succes, maar in feite is hij stikjaloers en manipulatief) en Legio ook (in zijn slechte momenten is hij een onhebbelijke macho met een übermensch-complex). Zodoende vormen ze samen een behoorlijk kritisch portret van de traditionele rol van de man. Waarmee ik niet wil zeggen dat dit we per se politiek correct of incorrect willen zijn, of dat Legio op wat voor manier ook een feministisch stuk is, maar ik herhaal maar: je bent altijd als kunstenaar bezig met de wereld waarin je leeft en vooral ook waarin jij leeft, beste lezer, best publiek. Waarom eigenlijk?

Nou, het idee dat een kunstenaar iets maakt wat alleen in zijn eigen hoofd speelt, is al zo'n honderd jaar achterhaald, en het is juist ook deel van de lol en de uitdaging in het kunstenaarsschap om de verbinding met de Grote Wereld Buiten aan te gaan. Go big or go home. Zelfs als deze dingen zich niet vertalen in een avond rechtstreeks activistisch opruiend politiek theater (wat ik trouwens verder juist wel een super toffe vorm vind – ander keertje weer.) Toch zijn we tot een voorlopige kern gekomen van waar onze voorstelling over gaat: de strijd in ons hoofd tussen goed en kwaad, tussen de makkelijke weg en het nemen van verantwoordelijkheid, tussen doen wat je wil en durven wat je moet, tussen verzonnen demonen en werkelijk rondlopende engelen zoals Rosa. Dat is het stuk dat we aan jou willen geven, beste lezer, best publiek. Dat, én het idee dat om onze diepste angsten lachen het beste medicijn is, en dat we allemaal juist door middel van onze waanzin een heel klein beetje wijzer kunnen worden.

26 februari 2018

Een sterk verhaal (III – Slot)

Het was al donker. We hadden gegeten bij een hip burgertentje, de één vegetarisch, de ander allesbehalve. Daarnaast hadden we al een paar biertjes in onze kraag, want al dat werkoverleg is leuk, maar je moet er wel wat bij te drinken hebben. Zen rekende af en ik hees mij in mijn jas, waarvan de capuchon dusdanig kapot was dat hij onder geen beding op mijn hoofd wilde blijven rusten. Buiten stortregende het, opspattend dansten de druppels op de straatstenen die onder de stromende vloed glinsterden als palingen op laag water. We liepen door een muur van regen, Zen warmpjes ingepakt, ik met een capuchon die voor pampus op mijn rug hing en inmiddels halfvol water stond. 'Nou, daar gaan we dan,' zei ik. 'Geen zorgen.' Vol zelfvertrouwen keek de reusachtige gestalte van mijn compagnon op me neer. 'We vinden hem wel.' Ik antwoordde dat ik daar nou juist zo bang voor was. Zwijgend liepen we verder. Ik voelde de capuchon klotsen tussen mijn schouderbladen en dacht terug aan de vele mysteries die we samen al hadden opgelost. Het Geheim van De Kat in het Nauw, onze eerste zaak. Eigenlijk een peulenschil vergeleken met wat we nu ondernamen. Direct oplosbaar voor iedereen die wist waar dames op leeftijd gewoonlijk hun appelboor bewaarden. De Zaak van de Zeven Sloten. Die was lastiger geweest. We waren lang op een dwaalspoor gebracht door de verklaring van één van de getuigen dat de moordenaar een tweelingbroer had, en we hadden de zaak ternauwernood kunnen kraken toen Zen besefte dat het in feite een drielingbroer was. Tenslotte was hij de detective, en ik slechts de meereizende chroniqueur. Ook nu had hij die vastberaden blik in zijn ogen die zijn superieure intelligentie verried en zijn algehele instelling van varkentjes wassen, maar Het Mysterie van de Levende Demon was nog verre van ontrafeld.

De Ebbingestraat was verlaten in de regen. De bendes die hier doorgaans de dienst uitmaakten waagden zich niet buiten. Niet nu Zen hier liep, heer en meester en ongekroonde hulpsheriff van dit noorderlijk gewest. Twee keer liepen we vergeefs de Ebbingestraat af, zowel de Oude als de Nieuwe, heen en weer. Twee keer dus. Als verzopen katten hielden we stil voor Pit Tattoo. Het licht was al uit en de winkel verlaten. Dit was een tegenslag. Terwijl wij ons beraamden op onze vervolgstappen ging naast ons een voordeur open. “Hey lul, kankerlijer, je gaat nu fokking bier halen, anders laten we straks een adje trekken met één van Willemijns tampons d'r in. En nou lopen, lul!' Corpsstudenten. We hadden het kunnen weten. Altijd en overal lagen ze op de loer in deze vervloekte stad. Zen haalde diep adem en stapte op hen af. 'Wij zoeken een man,' sprak hij, terwijl hij over zijn machtige snor aaide. 'Heeft één van jullie hem gezien?' De oudste en dikste student, armen over elkaar, duidelijk niet onder de indruk van dit machtsvertoon, keek de verte in en sprak: 'Er komen hier veel mannen voorbij... Hoe ziet hij eruit?' Zen had inmiddels een aardige punt aan zijn snor gedraaid die nu asymmetrisch omhoog stond terwijl het andere eind teleurgesteld omlaag hing te wachten op zijn beurt. In het huiverende schijnsel uit de studentenramen leek het of Zens eens zo vreeswekkende snor een eenzijdige beroerte had gehad. 'Deze man ken je wel. Hij heeft een rood gezicht...' 'Bedoel je Jan-Wouter? Die woont hier.' Hij werd geroepen en verscheen. Jezus Christus. Jan-Wouter had inderdaad een heel rood gezicht, maar niet het gezicht dat we zochten. 'Nee, rood getatoeëerd. Met zwart. Hij heeft zwarte ogen. Het gezicht van een baarlijke duivel.' De student trok een smoel van herkenning. 'Ah, die vent. Die is hier niet meer. Die was hier van de zomer. Hij werkte een paar maanden bij de tattooshop. Hij kwam uit Venezuela. Stripfanaat. Hij wilde de Red Skull uit Captain America worden. Hij heeft een Instagram.' Dus toch! Al deze tijd had de raadselachtige demonenjongen zich onder onze digitale neus bevonden. Wij bedankten de student voor de inlichtingen en liepen zwijgend naar huis.

Thuis stak Zen een pijp op. Ik schonk de whisky in, zoals het ritueel van onze evaluatie na al die jaren gebood. 'Dus dat was het mysterie van de demonenjongen van de Ebbingestraat,' begon hij. Ik vulde aan: 'Dat er helemaal geen mysterie was.' 'Precies,' zei de meesterspeurder zelf, 'we hadden de zaak al opgelost voor we eraan begonnen.' 'Weet je,' bracht ik in, 'ik vind wat wij bedacht hebben, met die demonen en zo, en met Maarten en met Rosa en met Legio veel beter dan de werkelijkheid'. Zen tuurde lang in zijn whiskyglas, nam toen een zelfbewuste teug en sprak met zekerheid, 'Je hebt gelijk, jonge vriend. Achteraf was dit geen zaak voor de grote detective, maar voor het schrijvertje aan zijn zij met teveel fantasie'.

Beste lezer, tot zover mijn sterke verhaal. Het was misschien toch niet helemaal woord voor woord waargebeurd. Maar dat maakt ook eigenlijk niet uit. Feitelijke kennis en gedegen onderzoek onthullen ons de wereld, maar kan ons nooit alles vertellen. Alleen onze verbeelding, alleen die blinde scheppingskracht die elk cliché absorbeert, omdraait en uitspuugt, die ons zowel nachtmerries voorschotelt als zwart-komische, poëtische toneelstukken, onthult ons onszelf. Kom kijken in Theater Bellevue, op 4 en 5 juni, naar onze verdere onthullingen...

22 februari 2018

Sterk verhaal (II)

Later in het voorjaar en in de vroege zomer had ik de jongen nog drie keer gezien. Altijd in de Ebbingestraat. Maar geen enkele keer durfde ik hem aan te spreken.

Begin september meldden wij ons op de Lauriergracht in Amsterdam voor de kick-off van de Tekstsmederij. Wij, dat waren zes schrijvers en zes regisseurs. Als je deze website hebt gevolgd, weet je wie dat waren. Hoe dan ook, we kregen de kans om onze ideeën te presenteren, aan elkaar te snuffelen, voorzichtige toenadering te zoeken en elkaar te verleiden tijdens een speeddate-sessie. Alles zuiver professioneel natuurlijk, want er moesten werkkoppels gemaakt worden. Zen en ik vormden één van de koppels en we gingen aan de slag. Vele ideeën rolden over tafel, van zwaar politiek geëngageerd tot metatheater over metatheater, dus eigenlijk metametatheater, maar we hadden hét idee nog niet gevonden. Tot ik Zen het verhaal vertelde van die jongen met het demonengezicht in de Ebbingestraat, die de demonen in mijn eigen hoofd weer wakker had geroepen.

We begonnen ons research, wat in de eerste plaats neerkwam op het intypen van de woorden 'demon' en 'face modification' soms met, soms zonder de toevoeging 'Groningen'. Wij vonden een hele serie krantenartikelen, die gingen over een gast die min of meer dezelfde dingen aan zijn gezicht had laten doen om op zijn favoriete stripfiguur te lijken, maar deze jongen, van wie we al eerder foto's hebben gepost (scroll naar beneden bij demoon dating) woonde in Venezuela. Hoe we ook zochten, de jongen in Groningen was spoorloos, maar we hadden inmiddels genoeg ideeën gekregen om mee verder te werken.

Vanuit onze aanvankelijke fascinatie voor metatheater besloten we dat het over een toneelschrijver zou gaan die meedeed aan een toneelschrijfwedstrijd, dit als een knipoog naar de situatie waar ikzelf en veel jonge makers zich in bevinden: velen van ons hopen met heel hun hart door een opdracht, onderscheiding of stipendium boven het maaiveld uit getild te worden, zichtbaar te worden voor de buitenwereld en een echte carrière te kunnen beginnen. Die wanhoop leverde ons een mooi uitgangspunt voor het personage op. Verder begonnen we de rol van demonen in onze cultuur te onderzoeken, van BBC-documentaires over de rol van de duivel in de kunst, de literatuur en de rock 'n roll tot de Satanistische Bijbel, tot we uitkwamen bij de schilder Francisco Goya die in de 19e eeuw de demonen in zijn hoofd schilderde. (Ik heb een blauwe maandag van zes jaar schilderkunst gestudeerd.) We zijn begonnen met het kijken van horrorfilms en psychotische thrillers, alles om dichter bij onze hoofdpersonen te komen; schrijver Maarten en de demon die we Legio noemden; naar een passage uit de bijbel (Marcus 5, Vers 9). Zodoende zijn we begonnen een universum op te bouwen waarin al deze dingen samenkomen en naar elkaar verwijzen, waarin we ook met alle clichés kunnen spelen, en dat onze Maarten het hoofd goed op hol kan brengen. In de tussentijd kreeg ik een serie jodelende relatieproblemen die er uiteindelijk vrij snel nog toe zou leiden dat mijn inmiddels al iets minder kersverse vriendin weer vrijgezel zou worden, en ik ook trouwens, en toen coach Willibrord ons opdroeg om redenen te zoeken om Maarten nog wanhopiger te maken, besloot ik hem een vriendin te geven omdat ik van vriendinnen zelf namelijk altijd zeer wanhopig ben geworden. Zo ging er weer een echte vrouw weg en kwam er een fictieve in de gedaante van het personage Rosa mijn leven in gewandeld.

Al met al waren we enorm lekker bezig met het stuk en begon ons verhaal al flink vorm te krijgen. Maar we raakten ook steeds verder weg van de aanleiding: die jongen die ik gezien had in de Ebbingestraat, en die Zen nog altijd niet had ontmoet. Ik zat er wegens algehele schijterigheid mét klappertanden (wij schrijvers leven onder zware psygiese spanningen, zegt Gerard Reve) niet heel erg op te wachten, maar we wisten dat het er ooit een keer van moest komen, zelfs al deden we niets met zijn verhaal, al maakten we er totaal ons eigen ding van, we moesten toch uitvinden wie die jongen was en welke demonen hem plaagden. Tijdens één van onze samenkomsten in januari 2018 besloten we orde op zaken te stellen en in de vroege avondval en de stromende regen beenden wij van mijn huis naar de Vismarkt, over de Grote Markt en hup, de Ebbingestraat in. We zouden hem aanspreken, of anders zouden we net zo lang bij mensen aanbellen tot we hem gevonden hadden. We zouden na vijf maanden eindelijk het mysterie gaan oplossen. Ik was behoorlijk nerveus.