Samenwerking

Regisseur Inge Wannet
Schrijver Esther van der Krol

Over de smeders

Inge Wannet

Inge Wannet werd geboren in 1985 te Nijmegen. Na het Atheneum studeerde zij communicatiewetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen, waar ze afstudeerde als Master of Science. Zij studeerde vervolgens af aan Theaterschool de Trap en maakt sindsdien locatietheater. Met haar voorstellingen speelde Inge op vele festivals en won verschillende prijzen, zoals drie van de vier juryprijzen op het Café Theater Festival in Utrecht, en tweemaal de publieksprijs en een eervolle vermelding van de jury op Fringe Amsterdam. Haar voorstelling Klapvee speelde in 2016 op het Nederlands Theater Festival. Van 2014 tot 2017 was Inge Artist in Residence bij het Parktheater Eindhoven, binnen hun ThinX traject voor nieuwe makers. Foto: Paul Hoes

Esther van der Krol

Esther van der Krol werkte jarenlang als leerkracht in het basisonderwijs. Ze besloot in 2015 het roer om te gooien en zich volledig op het schrijven te richten en volgde de deeltijdstudie aan de Schrijversvakschool in Amsterdam, waar zij zich specialiseerde in het schrijven voor toneel. Haar toneeltekst Vuile was en witte lakens verscheen bij De Nieuwe Toneelbibliotheek. Een scène uit dit stuk, onder de titel Belgisch, won de Editio Debutantenschrijfwedstrijd 2017. De scène Kneedbom kwam op de shortlist van de schrijfwedstrijd van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) te staan en werd gepubliceerd in de bundel Niemand Anders, een uitgave van Het Literatuurhuis. Foto: Mo Verlaan

Zij worden gecoacht door

Willibrord Keesen Zie alle coaches

Waar ze aan smeden

Een afritsbroek is best heel handig (werktitel) Esther en Inge Naar het stuk

Thema

In de kofferbak ligt een handrembreekkabel. En een reservehandrembreekkabel, naast de citronellakaars. Maria en Frans komen al jaren op dezelfde campings, met dezelfde mensen. Wat als je tussen de gezelligheid en het afgedwongen geluk beseft dat dit het leven is dat je niet meer wilt? | Tekst Esther van der Krol | Regie Inge Wannet | De Tekstsmederij, fase 1 Oktober 2017 Copyright: Esther van der Krol en Inge Wannet.

Status

we werken er hard aan...

Bekijk hun updates

22 januari 2018

Dag 132: Alles is mogelijk. Nee echt. Alles.

Esther: 'Ik weet het nog goed: het was Kerstmis 2014 en ik logeerde bij mijn schoonmoeder. Mijn schoonmoeder maakte de ontbijttafel klaar en mijn vriendin en ik zaten op de bank te lezen. Terwijl de broodjes werden gebakken las ik een boek met het complete toneelwerk van Sarah Kane (zie foto). Om precies te zijn las ik het toneelstuk Blasted. En ik kan je zeggen: dat stuk is geen kattenpis. Het is ontroerend. Het is hard. Het is heftig. Het is niet leuk. Het is fantastisch. Het is rauw. Het is geniaal. Terwijl de eitjes werden gekookt las ik deze regieaanwijzing: 'There is a blinding light, then a huge explosion.' Vanaf dat moment, op die kerstochtend, ben ik door Sarah Kane anders naar toneelschrijven gaan kijken. Ik begon te beseffen dat op het toneel alles mogelijk is. Echt: ALLES. Dat je als schrijver nooit je fantasie moet (laten) afremmen. Dat gaf zo'n ongelofelijk vrij gevoel. Of er in 'Een afritsbroek is best heel handig' (werktitel) een ontploffing gaat plaatsvinden... dat weet ik nog niet. Maar hou rekening met... alles.'
11 januari 2018

Dag 122: Leuk. Een toneelstuk. Goh.

Esther: 'Tijdens de aftrap van de tweede fase zei Caspar Nieuwenhuis van Stichting Likeminds: 'Zorg ervoor dat je een aantal concepten op de plank hebt liggen'.
Ik dacht: die man heeft gelijk.
Hoe vaak heb ik als schrijver niet een idee? De ideeën zijn bijna niet te tellen.
En eens in de zoveel tijd werk ik er eentje uit tot een toneelstuk.
Leuk.
Een toneelstuk.
Goh.

En dan??
Door deze opmerking zag ik in hoe belangrijk het is je werk niet alleen uit te voeren, maar ook te organiseren. Gelukkig gaf Caspar handige tips hoe dit te doen. Een goede leidraad bijvoorbeeld voor de juiste 'artistieke organisatie' zijn de vier criteria van het Fonds Podiumkunsten uit te werken tot een volwaardig plan en van daaruit de volgende stap te nemen naar een theater of producent. Ik heb inmiddels al een plank in mijn boekenkast vrijgemaakt!'

9 januari 2018

Dag 120: Ik ga op vakantie en ik neem mee.

Inge: 'Ik ging op vakantie naar Italië. Niet - zoals onze hoofdpersonages- voor het twintigste jaar op caravanvakantie langs zeven Franse steden, maar wel met de auto en de hond op de achterbank. Niet- zoals Maria en Frans- met Excel-lijst, afritsbroek, wetties, citronella, zaklamp, beautycase, hoofdkussens, deet, norit, tekentang, zoutoplossing, pincet, telefoonnummers, thuisblijversinformatie. Maar wel met de koelbox, goede keukenmessen, een snijplank, braadslede, kerntemperatuurthermometer, zipperzakjes, extra fleecedekentjes-want-je-weet-maar-nooit en een blik kruiden waarvan ik weet dat je ze in Italië moeilijk kan kopen (trassi, gele peper, je weet wel). 



Ik heb genoten op vakantie. Van ons huisje op de berg met het eindeloze uitzicht, van het toeristenvrije Italie, de lege parkeerterreinen waarvan je weet dat ze hartje zomer overlopen van de dagjesmensen. Ik heb veel aan Maria en Frans gedacht. Want Maria vond háár vakanties ook jarenlang heel leuk. Misschien begon haar excellijst ook wel gewoon met een paar dingen waarvan je weet dat ze die op bestemming niet hebben. Tot zover geen probleem. 



Wat nou, als je het allemaal ineens niet meer zo leuk vindt, zoals Maria. Hoe kom je tot zo’n punt in je leven? Hoe komt het zo ver en als het daar is: wat zijn je opties? Hoe breek je uit? Veel mogelijke oplossingen passeerden de revue: een ruk aan het stuur en je rijdt de klif af; een onoverzichtelijk benzinestation en je bent plots ‘kwijt’; een straatje links terwijl Frans rechts gaat in dat éne pittoreske dorpje en je kan de hele zooi achter je laten. Hoeveel moed is er nodig voor dit losbreken? En heeft Maria die? Of gaat het vluchten van Maria veel meer over vluchten in haar hoofd, in plaats van een uitbraak als: achter het stuur kruipen als Frans de benzine aan het betalen is en met de noorderzon en 130 km per uur de snelweg op scheuren?

Op een aangelegde landtong naar een charmant Toscaans eiland lag camping na camping in winterruststand te wachten op de eerste voorjaarszonnestralen, wanneer de mensen die vóór het hoogseizoen uit reizen met hun caravans, hun elektrische koelkasten, hun luifels en hun campingtafels het terrein over komen nemen. Ik stapte uit de auto en ik dwaalde tussen de leegstaande caravans, de internationale vlaggen bij de ingang dapper wapperend in de wind. De lege campings ademden een eenzaamheid die ik in Esther’s tekst ook voel bij Maria. Troosteloos en lang niet meer wat ze ooit waren, maar ook: reikhalzend uitkijkend naar die eerste toeristen in de hoop dat de gezelligheid van weleer toch - ooit weer- zal wederkeren.'